🔽 Klik op een vorm voor meer informatie
1. (Ex-)partnergeweld
1. Lichamelijke mishandeling
Slachtoffer:
- Regelmatig letsel met onduidelijke of wisselende verklaringen.
- Angstig of schrikachtig bij bewegingen of stemverheffing.
- Draagt bedekkende kleding, ook bij warm weer.
- Wacht lang met medische hulp zoeken.
- Vermijdt fysiek contact of oogcontact.
Pleger:
- Bagatelliseert of ontkent letsel.
- Geeft slachtoffer de schuld van geweld.
- Heeft korte lont en snelle escalaties.
- Is fysiek intimiderend, bijvoorbeeld door blokkeren of dreigen.
- Toont weinig berouw of empathie.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Slachtoffer:
- Slechte lichamelijke conditie, zoals vermoeidheid of ondervoeding.
- Onvoldoende toegang tot medische zorg.
- Onvoldoende rust of slaap door spanningen.
- Geen ruimte om voor zichzelf te zorgen.
- Verwaarloosde uiterlijke verzorging.
Pleger:
- Negeert gezondheidsklachten van partner.
- Belemmert toegang tot zorg of medicatie.
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor basisbehoeften.
- Minimaliseert fysieke klachten.
- Laat partner structureel overbelast raken.
3. Psychische mishandeling
Slachtoffer:
- Loopt op eieren en is voortdurend alert.
- Heeft laag zelfbeeld of twijfelt aan eigen waarneming.
- Is angstig, somber of gespannen.
- Vermijdt contact met anderen.
- Toont afhankelijk of onderdanig gedrag.
Pleger:
- Kleineert, vernedert of beledigt structureel.
- Controleert gedrag, contacten en keuzes.
- Dreigt met geweld, zelfdoding of kinderen.
- Manipuleert, zoals gaslighting of schuld omkeren.
- Isoleert partner van het netwerk.
4. Psychische verwaarlozing
Slachtoffer:
- Voelt zich emotioneel alleen binnen de relatie.
- Krijgt geen steun bij stress of problemen.
- Twijfelt aan eigen gevoelens of behoeften.
- Past zich voortdurend aan aan de ander.
- Verliest eigen identiteit of autonomie.
Pleger:
- Is emotioneel onbereikbaar of onverschillig.
- Reageert niet op emotionele behoeften.
- Toont geen interesse in het welzijn van partner.
- Ontkent gevoelens of ervaringen van partner.
- Laat partner structureel in de steek.
5. Seksueel misbruik
Slachtoffer:
- Ervaart druk om seks te hebben.
- Heeft angst of spanning rondom intimiteit.
- Heeft pijnklachten of lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.
- Ervaart schaamte of terughoudendheid om hierover te spreken.
- Geeft aan geen keuzevrijheid te ervaren.
Pleger:
- Dwingt of chanteert tot seksuele handelingen.
- Negeert grenzen of een nee van partner.
- Gebruikt druk, schuld of dreiging.
- Ziet seks als recht binnen de relatie.
- Bagatelliseert of ontkent grensoverschrijding.
6. Financieel misbruik
Slachtoffer:
- Heeft geen toegang tot eigen geld of rekening.
- Moet toestemming vragen voor uitgaven.
- Heeft schulden door toedoen van partner.
- Weet weinig van de eigen financiële situatie.
- Is financieel afhankelijk en kan niet weg.
Pleger:
- Controleert inkomen, uitgaven en administratie.
- Neemt geld af of gebruikt dit zonder toestemming.
- Zet partner onder druk om schulden aan te gaan.
- Houdt financiële informatie achter.
- Gebruikt geld als machtsmiddel.
7. Digitaal geweld
Slachtoffer:
- Wordt constant gebeld, geappt of gecontroleerd.
- Voelt zich onveilig via telefoon of sociale media.
- Verandert vaak wachtwoorden of accounts.
- Ontvangt dreigende of dwingende berichten.
- Vermijdt online contact uit angst.
Pleger:
- Controleert telefoon, accounts of locatie.
- Stuurt grote hoeveelheden berichten om te controleren.
- Houdt online activiteiten in de gaten.
- Verspreidt privé-informatie of beelden.
- Doet zich online voor als slachtoffer.
8. Schending van rechten
Slachtoffer:
- Kan niet vrij keuzes maken over werk, contact of wonen.
- Mag geen hulp zoeken of afspraken maken.
- Wordt beperkt in bewegingsvrijheid.
- Voelt zich niet vrij om de relatie te beëindigen.
- Ervaart constante controle over het leven.
Pleger:
- Beperkt vrijheid en autonomie van partner.
- Beslist over belangrijke levenskeuzes.
- Houdt documenten, sleutels of middelen achter.
- Zet druk rondom kinderen of verblijf.
- Gebruikt dreiging om controle te behouden.
2. Kindermishandeling 0-2 jaar
1. Lichamelijke mishandeling
Kind:
- Onverklaarbare blauwe plekken, brandwonden of botbreuken.
- Letsel dat niet past bij de ontwikkelingsfase van het kind.
- Schrikachtig, verstijfd of juist apathisch gedrag.
- Heftig huilen bij aanraking of verzorging.
- Terugkerend letsel met wisselende verklaringen.
Ouder/verzorger:
- Geeft tegenstrijdige of onduidelijke verklaringen over letsel.
- Reageert geïrriteerd of boos op huilgedrag van de baby.
- Toont weinig inlevingsvermogen in pijn of ongemak van het kind.
- Bagatelliseert of ontkent letsel.
- Gaat ruw of ongeduldig om met het kind.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Kind:
- Ondervoeding, weinig groei of gewichtsverlies.
- Slechte hygiëne, zoals vieze huid of kleding.
- Onvoldoende kleding passend bij temperatuur.
- Gemiste medische afspraken of vaccinaties.
- Veel huilen, weinig energie of vaak ziek zijn.
Ouder/verzorger:
- Komt afspraken met zorgverleners niet na.
- Reageert onvoldoende op basisbehoeften zoals voeding of slaap.
- Heeft weinig structuur in verzorging.
- Signaleert of erkent gezondheidsproblemen niet.
- Laat het kind langdurig zonder toezicht.
3. Psychische mishandeling
Kind:
- Extreem angstig of juist opvallend stil en teruggetrokken.
- Reageert gespannen op stemgeluid of nabijheid van verzorger.
- Huilt ontroostbaar of lijkt niet getroost te willen worden.
- Toont weinig initiatief tot contact.
- Heeft moeite met reguleren van emoties.
Ouder/verzorger:
- Schreeuwt, dreigt of reageert agressief naar het kind.
- Toont afwijzend of vijandig gedrag.
- Reageert onvoorspelbaar op signalen van het kind.
- Geeft het kind structureel negatieve aandacht.
- Maakt het kind bang of schrikt het bewust af.
4. Psychische verwaarlozing
Kind:
- Weinig oogcontact of reactie op sociale prikkels.
- Weinig hechtingsgedrag, zoekt geen troost.
- Ontwikkelingsachterstand in motoriek of communicatie.
- Weinig expressie of initiatief.
- Toont vlak of afwezig affect.
Ouder/verzorger:
- Is emotioneel afwezig of weinig responsief.
- Reageert niet op signalen van het kind.
- Biedt weinig warmte, aandacht of nabijheid.
- Heeft weinig interactie met het kind.
- Toont geen interesse in ontwikkeling van het kind.
5. Seksueel misbruik
Kind:
- Pijn, roodheid of letsel aan genitaliën of anus.
- Heftig huilen bij verschonen of wassen.
- Angstreacties bij specifieke persoon.
- Onverklaarbare lichamelijke klachten.
- Terugkerende infecties of irritaties.
Ouder/verzorger:
- Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
- Overschrijdt lichamelijke grenzen van het kind.
- Reageert defensief op vragen over verzorging.
- Bagatelliseert signalen of klachten.
- Toont ongepast lichamelijk gedrag richting het kind.
6. Digitaal geweld
Kind:
- Wordt gefilmd of gefotografeerd in kwetsbare situaties.
- Beelden van het kind worden gedeeld zonder bescherming of toestemming.
- Wordt gebruikt in online content zonder oog voor privacy.
- Is zichtbaar onderdeel van online conflicten of ruzies.
- Wordt blootgesteld aan digitale prikkels die niet passend zijn bij leeftijd.
Ouder/verzorger:
- Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
- Gebruikt het kind voor online aandacht of bevestiging.
- Negeert risico’s van online zichtbaarheid van het kind.
- Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
- Overschrijdt grenzen van het kind in digitale context.
7. Schending van rechten
Kind:
- Krijgt onvoldoende bescherming, zorg of veiligheid.
- Heeft geen stabiele en veilige leefomgeving.
- Wordt niet gehoord of gezien in basisbehoeften.
- Wordt blootgesteld aan onveilige of schadelijke situaties.
- Heeft geen toegang tot passende zorg of ondersteuning.
Ouder/verzorger::
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid van het kind.
- Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
- Beperkt toegang tot zorg of hulpverlening.
- Laat het kind opgroeien in onveilige omstandigheden.
- Schendt structureel rechten van het kind op bescherming en ontwikkeling.
3. Kindermishandeling 2-4 jaar
1. Lichamelijke mishandeling
Kind:
- Blauwe plekken of letsel op ongebruikelijke plaatsen.
- Letsel dat niet past bij de ontwikkelingsfase van het kind.
- Angstig of schrikachtig bij plotselinge bewegingen.
- Bang om fouten te maken of straf te krijgen.
- Trekt zich terug of reageert juist agressief.
Ouder/verzorger:
- Geeft wisselende of onduidelijke verklaringen over letsel.
- Reageert snel boos of geïrriteerd op gedrag van het kind.
- Past harde of fysieke straffen toe.
- Bagatelliseert of ontkent letsel.
- Toont weinig inlevingsvermogen in pijn of angst van het kind.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Kind:
- Vieze kleding of slechte hygiëne.
- Hongerig of vermoeid gedrag.
- Onvoldoende toezicht in onveilige situaties.
- Gemiste medische zorg of controles.
- Achterstand in groei of lichamelijke ontwikkeling.
Ouder/verzorger:
- Biedt weinig structuur in voeding, slaap en verzorging.
- Reageert onvoldoende op basisbehoeften.
- Komt afspraken met zorgverleners niet na.
- Laat het kind regelmatig zonder passend toezicht.
- Onderschat of negeert gezondheidsproblemen.
3. Psychische mishandeling
Kind:
- Extreem angstig, teruggetrokken of juist agressief gedrag.
- Overmatig pleasen of voortdurend zoeken naar bevestiging.
- Bang om contact te maken of initiatief te nemen.
- Onvoorspelbare emotionele reacties.
- Weinig zelfvertrouwen of initiatief.
Ouder/verzorger:
- Kleineert, scheldt of maakt het kind bang.
- Reageert onvoorspelbaar en wisselend op gedrag.
- Stelt onrealistische eisen aan het kind.
- Gebruikt dreiging of angst als opvoedmiddel.
- Geeft structureel negatieve aandacht.
4. Psychische verwaarlozing
Kind:
- Weinig spel of interactie met anderen.
- Taal- of ontwikkelingsachterstand.
- Zoekt weinig troost of aandacht.
- Toont weinig emoties of initiatief.
- Hechtingsproblemen of claimend gedrag.
Ouder/verzorger:
- Is emotioneel weinig beschikbaar.
- Reageert niet of nauwelijks op signalen van het kind.
- Biedt weinig aandacht, warmte of stimulans.
- Heeft weinig interactie of spelmomenten.
- Toont weinig betrokkenheid bij ontwikkeling.
5. Seksueel misbruik
Kind:
- Seksueel gedrag of taal die niet past bij de leeftijd.
- Angst voor verschonen, slapen of specifieke personen.
- Pijn, jeuk of roodheid aan genitaliën.
- Terugkerende lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.
- Veranderingen in gedrag zoals terugtrekking of angst.
Ouder/verzorger:
- Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
- Overschrijdt lichamelijke grenzen van het kind.
- Reageert defensief op vragen over verzorging.
- Bagatelliseert signalen of klachten.
- Toont ongepast lichamelijk gedrag richting het kind.
6. Digitaal geweld
Kind:
- Wordt gefilmd of gefotografeerd in kwetsbare situaties.
- Beelden worden gedeeld zonder bescherming van privacy.
- Wordt gebruikt in online content zonder passende grenzen.
- Wordt blootgesteld aan schermgebruik dat niet passend is.
- Is onderdeel van online conflicten of spanningen.
Ouder/verzorger:
- Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
- Gebruikt het kind voor online aandacht of bevestiging.
- Negeert risico’s van online zichtbaarheid.
- Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
- Overschrijdt grenzen van het kind in digitale context.
7. Schending van rechten
Kind:
- Krijgt onvoldoende bescherming, zorg of veiligheid.
- Heeft geen stabiele en veilige leefomgeving.
- Wordt niet gezien of gehoord in behoeften.
- Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
- Heeft geen toegang tot passende ondersteuning.
Ouder/verzorger:
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid van het kind.
- Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
- Beperkt toegang tot zorg of hulpverlening.
- Laat het kind opgroeien in onveilige omstandigheden.
- Schendt structureel rechten van het kind.
4. Kindermishandeling 4-12 jaar
1. Lichamelijke mishandeling
Kind:
- Regelmatig blauwe plekken of letsel op ongebruikelijke plaatsen.
- Letsel met onduidelijke of wisselende verklaringen.
- Bang voor lichamelijk contact of plotselinge bewegingen.
- Bang om naar huis te gaan of naar bepaalde personen.
- Schrikachtig, teruggetrokken of juist agressief gedrag.
Ouder/verzorger:
- Geeft tegenstrijdige verklaringen over letsel.
- Reageert snel boos of fysiek op gedrag van het kind.
- Past harde of onvoorspelbare straffen toe.
- Bagatelliseert of ontkent letsel.
- Toont weinig inlevingsvermogen in het kind.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Kind:
- Vieze kleding of slechte hygiëne.
- Hongerig of vermoeid gedrag op school.
- Onvoldoende passende kleding bij weer of situatie.
- Gemiste medische zorg of afspraken.
- Achterstand in groei of gezondheid.
Ouder/verzorger:
- Biedt onvoldoende structuur in voeding, slaap en verzorging.
- Komt afspraken met school of zorg niet na.
- Laat het kind zonder passend toezicht.
- Negeert signalen van ziekte of klachten.
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor basiszorg.
3. Psychische mishandeling
Kind:
- Laag zelfbeeld of weinig zelfvertrouwen.
- Angstig, somber of gespannen gedrag.
- Overmatig aanpassen of pleasen.
- Problemen met concentratie of schoolprestaties.
- Teruggetrokken of juist opvallend druk en agressief gedrag.
Ouder/verzorger:
- Kleineert, scheldt of bekritiseert het kind structureel.
- Stelt onrealistische eisen of verwachtingen.
- Gebruikt dreiging of angst als opvoedmiddel.
- Reageert onvoorspelbaar op gedrag.
- Betrekt het kind in conflicten of zet het onder druk.
4. Psychische verwaarlozing
Kind:
- Krijgt weinig emotionele steun of aandacht.
- Voelt zich alleen of niet gezien.
- Neemt zorgtaken op zich die niet passen bij de leeftijd.
- Heeft moeite met sociale contacten.
- Toont weinig initiatief of interesse.
Ouder/verzorger:
- Is emotioneel onbeschikbaar of afstandelijk.
- Reageert niet op behoeften van het kind.
- Biedt weinig begeleiding of stimulans.
- Laat het kind verantwoordelijkheden dragen die niet passend zijn.
- Toont weinig betrokkenheid bij school of ontwikkeling.
5. Seksueel misbruik
Kind:
- Toont seksueel gedrag dat niet past bij de leeftijd.
- Heeft angst voor bepaalde personen of situaties.
- Ervaart lichamelijke klachten zoals pijn of jeuk.
- Is teruggetrokken of plotseling veranderd gedrag.
- Heeft schaamte of geheimhouding rond lichaam of contact.
Ouder/verzorger:
- Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
- Overschrijdt lichamelijke grenzen.
- Reageert defensief op vragen of signalen.
- Bagatelliseert klachten of gedrag van het kind.
- Toont ongepast lichamelijk of seksueel getint gedrag.
6. Digitaal geweld
Kind:
- Wordt online gevolgd of gecontroleerd door ouder/verzorger.
- Wordt gefilmd of gedeeld zonder toestemming.
- Wordt betrokken in online conflicten.
- Heeft angst voor reacties of controle via digitale middelen.
- Wordt blootgesteld aan niet-leeftijdsgebonden content.
Ouder/verzorger:
- Controleert online gedrag en communicatie van het kind excessief.
- Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
- Gebruikt digitale middelen om druk uit te oefenen.
- Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
- Overschrijdt grenzen in digitale opvoeding.
7. Schending van rechten
Kind:
- Heeft geen veilige en stabiele leefomgeving.
- Kan zich niet vrij ontwikkelen of uiten.
- Wordt niet gehoord of serieus genomen.
- Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
- Heeft geen toegang tot passende zorg of onderwijs.
Ouder/verzorger:
- Beperkt de ontwikkeling en autonomie van het kind.
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid.
- Beperkt toegang tot zorg, onderwijs of hulp.
- Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
- Schendt structureel rechten van het kind.
5. Kindermishandeling 12-18 jaar
1. Lichamelijke mishandeling
Jongere:
- Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
- Letsel met wisselende of onduidelijke verklaringen.
- Bang voor lichamelijk contact of bepaalde personen.
- Vermijdt thuissituatie of wil niet naar huis.
- Toont risicogedrag zoals weglopen of middelengebruik.
Ouder/verzorger:
- Geeft tegenstrijdige verklaringen over letsel.
- Reageert snel agressief of fysiek op gedrag van het kind.
- Past harde of onvoorspelbare straffen toe.
- Bagatelliseert of ontkent geweld.
- Toont weinig inlevingsvermogen in het kind.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Jongere:
- Structureel gebrek aan voeding, slaap of verzorging.
- Onvoldoende passende kleding of hygiëne.
- Gemiste medische zorg of behandeling.
- Vermoeidheid en concentratieproblemen.
- Gezondheidsproblemen door gebrek aan zorg.
Ouder/verzorger:
- Biedt onvoldoende basiszorg of structuur.
- Komt afspraken met school of zorg niet na.
- Negeert signalen van ziekte of klachten.
- Laat het kind zonder passend toezicht.
- Neemt geen verantwoordelijkheid voor welzijn.
3. Psychische mishandeling
Jongere:
- Somberheid, angst of sterke stemmingswisselingen.
- Laag zelfbeeld of gevoelens van waardeloosheid.
- Terugtrekking of juist agressief gedrag.
- Zelfbeschadiging of suïcidegedachten.
- Extreme afhankelijkheid of juist afwijzing van ouder.
Ouder/verzorger:
- Kleineert, vernedert of bekritiseert het kind structureel.
- Gebruikt dreiging, schuld of schaamte als middel.
- Stelt onrealistische eisen of verwachtingen.
- Reageert onvoorspelbaar en wisselend.
- Zet het kind onder druk in conflicten.
4. Psychische verwaarlozing
Jongere:
- Krijgt weinig emotionele steun of begeleiding.
- Voelt zich alleen of niet begrepen.
- Neemt verantwoordelijkheden die niet passend zijn.
- Heeft moeite met identiteitsontwikkeling.
- Toont weinig motivatie of perspectief.
Ouder/verzorger:
- Is emotioneel afwezig of afstandelijk.
- Reageert niet op behoeften van het kind.
- Biedt weinig begeleiding of ondersteuning.
- Laat het kind over aan zichzelf.
- Toont weinig betrokkenheid bij school of leven van het kind.
5. Seksueel misbruik
Jongere:
- Grensoverschrijdend seksueel gedrag of juist vermijding.
- Angst voor bepaalde personen of situaties.
- Lichamelijke klachten zoals pijn of infecties.
- Schaamte, geheimhouding of terugtrekking.
- Plotseling veranderd gedrag of relaties.
Ouder/verzorger:
- Overschrijdt lichamelijke of seksuele grenzen.
- Zoekt ongepaste nabijheid of alleenmomenten.
- Reageert defensief op vragen of signalen.
- Bagatelliseert klachten of gedrag.
- Toont ongepast seksueel getint gedrag.
6. Financieel misbruik
Jongere:
- Moet eigen geld afstaan aan ouder/verzorger.
- Heeft geen toegang tot eigen inkomsten.
- Kan niet deelnemen aan school of sociale activiteiten.
- Heeft gebrek aan basisvoorzieningen.
- Is financieel afhankelijk zonder ruimte voor eigen keuzes.
Ouder/verzorger:
- Neemt geld of inkomsten van het kind af.
- Controleert financiële middelen van het kind.
- Geeft prioriteit aan eigen uitgaven.
- Laat noodzakelijke voorzieningen achterwege.
- Gebruikt geld als machtsmiddel.
7. Digitaal geweld
Jongere:
- Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
- Ontvangt dreigende of controlerende berichten.
- Wordt online onder druk gezet of gechanteerd.
- Is bang voor controle via telefoon of sociale media.
- Wordt betrokken in online conflicten.
Ouder/verzorger:
- Controleert telefoon, berichten of accounts van het kind excessief.
- Gebruikt digitale middelen om druk uit te oefenen.
- Deelt privé-informatie van het kind.
- Houdt online gedrag voortdurend in de gaten.
- Overschrijdt grenzen in digitale controle.
8. Schending van rechten
Jongere:
- Kan geen eigen keuzes maken over leven of toekomst.
- Wordt beperkt in contact, school of ontwikkeling.
- Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
- Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
- Heeft geen toegang tot passende ondersteuning.
Ouder/verzorger:
- Beperkt autonomie en ontwikkeling van het kind.
- Beslist over keuzes zonder ruimte voor inspraak.
- Beperkt toegang tot zorg, onderwijs of hulp.
- Stelt eigen normen boven welzijn van het kind.
- Schendt structureel rechten van het kind.
6. Ouder-mishandeling
1. Lichamelijke mishandeling
Ouder:
- Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
- Bang of schrikachtig bij aanwezigheid van kind.
- Vermijdt contact of conflicten met kind.
- Past gedrag aan om escalatie te voorkomen.
- Zoekt laat of geen medische hulp.
Kind/jongere:
- Gebruikt fysiek geweld zoals slaan, duwen of schoppen.
- Blokkeert doorgang of beperkt bewegingsvrijheid.
- Reageert snel agressief bij frustratie.
- Toont weinig controle over boosheid.
- Bagatelliseert of ontkent geweld.
2. Psychische mishandeling
Ouder:
- Leeft op eieren en is voortdurend alert.
- Is angstig, gespannen of somber.
- Voelt zich machteloos of schuldig.
- Trekt zich terug of vermijdt contact.
- Durft geen grenzen te stellen.
Kind/jongere:
- Scheldt, kleineert of beledigt ouder.
- Dreigt met geweld of weglopen.
- Chanteert of manipuleert ouder.
- Zet ouder onder druk om toe te geven.
- Toont controlerend gedrag.
3. Financieel misbruik
Ouder:
- Moet geld geven om rust te bewaren.
- Heeft schulden door gedrag van kind.
- Verliest controle over eigen financiën.
- Durft geen nee te zeggen tegen geldvragen.
- Ervaart financiële stress door druk.
Kind/jongere:
- Neemt geld of spullen zonder toestemming.
- Dwingt ouder tot geven van geld.
- Maakt schulden op naam van ouder.
- Gebruikt geld als middel voor controle.
- Toont geen verantwoordelijkheid voor financiën.
4. Digitaal geweld
Ouder:
- Ontvangt dreigende of beledigende berichten.
- Voelt zich gecontroleerd via digitale middelen.
- Is bang voor online gedrag van kind.
- Wordt online onder druk gezet.
- Vermijdt contact uit angst voor escalatie.
Kind/jongere:
- Stuurt dreigende of controlerende berichten.
- Gebruikt sociale media om ouder onder druk te zetten.
- Verspreidt informatie over ouder.
- Controleert online gedrag van ouder.
- Gebruikt digitale middelen om macht uit te oefenen.
5. Schending van rechten
Ouder:
- Verliest regie over eigen huis en leven.
- Durft geen hulp te zoeken.
- Voelt zich niet vrij om grenzen te stellen.
- Leeft in onveilige situatie.
- Ervaart verlies van autonomie.
Kind/jongere:
- Neemt controle over beslissingen in huis.
- Respecteert grenzen van ouder niet.
- Beperkt vrijheid van ouder.
- Zet ouder onder druk om keuzes te maken.
- Doorbreekt gezagsverhoudingen structureel.
7. Ouderenmishandeling - Ontspoorde mantelzorg
1. Lichamelijke mishandeling
Oudere:
- Blauwe plekken of letsel door ruw handelen.
- Angstig of gespannen bij verzorgingsmomenten.
- Reageert schrikachtig op aanraking.
- Toont terughoudendheid bij hulp of zorg.
- Letsel dat samenhangt met overbelasting van mantelzorger.
Mantelzorger:
- Handelt gehaast of ongeduldig tijdens verzorging.
- Toont frustratie of irritatie richting oudere.
- Heeft moeite met het reguleren van stress.
- Is zichtbaar overbelast of uitgeput.
- Bagatelliseert signalen van letsel.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Oudere:
- Onvoldoende voeding, vocht of hygiëne.
- Gemiste medicatie of medische zorg.
- Onverzorgde leefomgeving.
- Doorligplekken of lichamelijke achteruitgang.
- Onvoldoende toezicht of ondersteuning.
Mantelzorger:
- Kan zorg niet meer goed organiseren.
- Verliest overzicht over zorgtaken.
- Stelt zorg uit door overbelasting.
- Komt afspraken niet na.
- Vraagt geen of te laat hulp.
3. Psychische mishandeling
Oudere:
- Angstig, gespannen of teruggetrokken gedrag.
- Voelt zich tot last of schuldig.
- Vermijdt contact met mantelzorger.
- Toont onzekerheid of afhankelijkheid.
- Veranderingen in stemming of gedrag.
Mantelzorger:
- Reageert kortaf, boos of geïrriteerd.
- Kleineert of spreekt negatief over de oudere.
- Toont weinig geduld of begrip.
- Laat frustratie af op de oudere.
- Heeft moeite met grenzen en verwachtingen.
4. Psychische verwaarlozing
Oudere:
- Krijgt weinig aandacht of contact.
- Voelt zich eenzaam of vergeten.
- Heeft weinig sociale interactie.
- Toont apathie of somberheid.
- Verliest interesse in dagelijkse activiteiten.
Mantelzorger:
- Is emotioneel uitgeput of afwezig.
- Heeft weinig ruimte voor aandacht of gesprek.
- Richt zich alleen op praktische zorg.
- Toont weinig betrokkenheid bij welzijn.
- Heeft geen balans tussen zorg en eigen leven.
5. Schending van rechten
Oudere:
- Heeft weinig regie over eigen leven.
- Kan niet meebeslissen over zorg.
- Wordt beperkt in contact met anderen.
- Leeft in afhankelijkheid zonder inspraak.
- Voelt zich niet gehoord of gezien.
Mantelzorger:
- Neemt beslissingen zonder overleg.
- Heeft weinig oog voor autonomie van de oudere.
- Stelt praktische zorg boven wensen van de oudere.
- Zoekt geen ondersteuning of afstemming.
- Handelt vanuit overbelasting in plaats van afstemming.
8. Ouderenmishandeling - Opzettelijke mishandeling
1. Lichamelijke mishandeling
Oudere:
- Herhaald letsel met duidelijke patronen.
- Angst voor specifieke persoon.
- Probeert contact te vermijden.
- Toont extreme schrikreacties.
- Zoekt hulp maar durft niet te spreken.
Pleger:
- Gebruikt bewust fysiek geweld.
- Dreigt of intimideert actief.
- Toont controle en macht.
- Ontkent of rechtvaardigt gedrag.
- Heeft weinig tot geen berouw.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Oudere:
- Structureel gebrek aan zorg of ondersteuning.
- Ernstige achteruitgang in gezondheid.
- Onveilige leefomgeving.
- Langdurige verwaarlozing.
- Geen toegang tot medische zorg.
Pleger:
- Laat zorg bewust achterwege.
- Negeert hulpvragen van de oudere.
- Is onverschillig over welzijn.
- Weigert ondersteuning in te schakelen.
- Laat de situatie bewust verslechteren.
3. Psychische mishandeling
Oudere:
- Leeft in constante angst.
- Is sociaal geïsoleerd.
- Toont extreme afhankelijkheid.
- Is onzeker of verward.
- Durft geen mening te geven.
Pleger:
- Kleineert en intimideert doelbewust.
- Dreigt met geweld of consequenties.
- Isoleert de oudere van netwerk.
- Gebruikt manipulatie en controle.
- Oefent macht uit over dagelijks leven.
4. Psychische verwaarlozing
Oudere:
- Voelt zich bewust genegeerd of buitengesloten.
- Krijgt geen aandacht of erkenning.
- Toont ernstige somberheid of apathie.
- Verliest interesse in leven.
- Heeft geen sociale contacten.
Pleger:
- Negeert de oudere structureel.
- Toont geen enkele betrokkenheid.
- Sluit de oudere uit van contact.
- Reageert afwijzend op behoeften.
- Laat de oudere bewust alleen.
5. Seksueel misbruik
Oudere:
- Angst of paniek bij bepaalde personen.
- Onverklaarbare verwondingen of klachten.
- Schaamte of geheimhouding.
- Plotselinge gedragsveranderingen.
- Vermijdt lichamelijk contact.
Pleger:
- Overschrijdt bewust seksuele grenzen.
- Zoekt ongepaste nabijheid.
- Ontkent of bagatelliseert gedrag.
- Reageert defensief of agressief op vragen.
- Toont doelgericht grensoverschrijdend gedrag.
6. Financieel misbruik
Oudere:
- Grote of onverklaarbare geldopnames.
- Verlies van bezittingen.
- Geen inzicht in financiële situatie.
- Onbetaalde rekeningen ondanks inkomen.
- Financiële afhankelijkheid van pleger.
Pleger:
- Neemt bewust geld of bezittingen af.
- Regelt financiën zonder toestemming.
- Zet de oudere onder druk om te tekenen.
- Houdt informatie achter.
- Gebruikt geld als machtsmiddel.
7. Digitaal geweld
Oudere:
- Verliest toegang tot accounts of gegevens.
- Wordt slachtoffer van digitale fraude.
- Is afhankelijk van pleger voor digitale zaken.
- Toont angst voor digitale handelingen.
- Begrijpt niet wat er digitaal gebeurt.
Pleger:
- Misbruikt digitale toegang zoals bankzaken.
- Neemt controle over accounts.
- Doet transacties zonder toestemming.
- Beperkt toegang tot digitale middelen.
- Gebruikt digitale middelen voor controle.
8. Schending van rechten
Oudere:
- Heeft geen zeggenschap over eigen leven.
- Wordt beperkt in contact en vrijheid.
- Heeft geen privacy of autonomie.
- Leeft in onveilige omstandigheden.
- Heeft geen toegang tot passende zorg.
Pleger:
- Neemt controle over beslissingen.
- Beperkt vrijheid en autonomie.
- Beslist zonder inspraak.
- Stelt eigen belangen centraal.
- Schendt structureel rechten van de oudere.
9. Meisjesbesnijdenis
Dreigende meisjesbesnijdenis
1. Lichamelijk
Meisje:
- Angst voor vakantie of reis naar land van herkomst.
- Spanning bij gesprekken over familiebezoek of ceremonie.
- Plotselinge onrust of huilen rond vertrek.
- Lichamelijke klachten zoals buikpijn of hoofdpijn door stress.
- Vermoeidheid, slaapproblemen of verlies van eetlust.
- Schrikachtig gedrag bij lichamelijk contact.
- Uitspraken als “ik ga lang weg” of “ik moet iets doen”.
- Plotselinge schooluitval of afwezigheid voor vakantie.
Familie/systeem:
- Plant reis naar land waar meisjesbesnijdenis voorkomt.
- Organiseert langdurig verblijf in buitenland.
- Houdt reisdetails vaag of geheim.
- Regelt paspoort of documenten op korte termijn.
- Bagatelliseert risico’s van de ingreep.
- Reageert defensief of ontwijkend op vragen.
- Spreekt over “vrouw worden”, “feest” of “traditie”.
- Handhaaft strikte controle over het meisje.
2. Psychisch
Meisje:
- Angst, paniek of spanning rond vakantie of familiebezoek.
- Voelt zich onder druk gezet om mee te gaan.
- Trekt zich terug of wordt stil.
- Somberheid of wanhoop.
- Loyaliteitsconflict met familie.
- Bang om iets verkeerd te doen.
- Durft niet vrij te spreken of vragen te stellen.
- Neemt afscheid van vrienden of leerkracht.
- Zoekt indirect hulp of geeft signalen van angst.
Familie/systeem:
- Oefent druk uit om ingreep te accepteren.
- Gebruikt eer, schaamte of traditie als argument.
- Dreigt met uitsluiting, straf of reputatieschade.
- Minimaliseert angst of weerstand van het meisje.
- Controleert gedrag, kleding en sociale contacten.
- Beperkt contact met vrienden of school.
- Legt nadruk op gehoorzaamheid.
- Laat geen ruimte voor eigen keuze.
Uitgevoerde meisjesbesnijdenis
1. Lichamelijk
Meisje:
- Pijn bij lopen, zitten of bewegen.
- Anders lopen, voorzichtig of wijdbeens.
- Moeite met plassen of branderig gevoel.
- Langdurig toiletbezoek of vaker naar toilet.
- Niet kunnen deelnemen aan gym of sport.
- Fysieke klachten na vakantie of verblijf in buitenland.
- Infecties, koorts of complicaties.
- Bloedverlies of wondproblemen.
- Blijvende pijnklachten.
- Problemen bij menstruatie.
- Niet willen zitten op harde stoel.
- Angst voor lichamelijk onderzoek.
Familie/systeem:
- Ontkent dat ingreep heeft plaatsgevonden.
- Bagatelliseert lichamelijke klachten.
- Reageert defensief of ontwijkend op vragen.
- Houdt informatie achter.
- Minimaliseert ernst van situatie.
- Zoekt geen medische hulp.
- Verklaart klachten als “normaal”.
- Houdt meisje thuis of uit zicht.
2. Psychisch
Meisje:
- Plotselinge gedragsverandering na vakantie.
- Van open naar stil of teruggetrokken gedrag.
- Angst, spanning of schrikreacties.
- Traumareacties zoals nachtmerries.
- Somberheid of verlies van plezier.
- Schaamte en geheimhouding.
- Verlies van vertrouwen in volwassenen.
- Vermijden van gesprekken over lichaam of seksualiteit.
- Negatief lichaamsbeeld.
- Prikkelbaarheid of emotionele ontregeling.
- Moeite met relaties of nabijheid.
- Concentratieproblemen op school.
Familie/systeem:
- Legt zwijgplicht op over de ingreep.
- Ontkent impact of schade.
- Minimaliseert gevoelens van het meisje.
- Voorkomt dat erover gesproken wordt.
- Gebruikt schaamte of eer als controlemiddel.
- Rechtvaardigt de ingreep als traditie.
- Toont weinig empathie of nazorg.
- Blijft druk uitoefenen op gedrag en conformiteit.
Belangrijk bij signalering
- Let op combinaties van signalen, niet op één signaal.
- Extra alertheid bij meisjes uit risicolanden.
- Verhoogd risico bij aanstaande vakantieperiode.
- Gedragsverandering na vakantie is een belangrijk signaal.
- Neem signalen altijd serieus en bespreek ze zorgvuldig.
10. Huwelijksdwang
1. Lichamelijke mishandeling
Betrokkene:
- Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
- Angst voor specifieke familieleden.
- Schrikachtig of gespannen gedrag.
- Vermijdt contact of gesprekken over relatie.
- Letsel na conflicten over huwelijk of partnerkeuze.
Familie/systeem:
- Gebruikt fysiek geweld bij verzet tegen huwelijk.
- Dreigt met geweld bij ongewenste keuzes.
- Reageert agressief op autonomie van betrokkene.
- Handhaaft strikte controle met dwang.
- Bagatelliseert of ontkent geweld.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Betrokkene:
- Onvoldoende rust, voeding of zelfzorg door stress.
- Vermoeidheid en lichamelijke klachten.
- Geen toegang tot medische zorg zonder toestemming.
- Verwaarlozing van eigen gezondheid.
- Beperkte bewegingsvrijheid.
Familie/systeem:
- Beperkt toegang tot zorg of ondersteuning.
- Controleert dagelijkse activiteiten.
- Laat welzijn ondergeschikt zijn aan familiebelangen.
- Negeert gezondheidsklachten.
- Stelt eisen zonder rekening te houden met belastbaarheid.
3. Psychische mishandeling
Betrokkene:
- Angst, spanning of paniek bij onderwerp huwelijk.
- Voelt zich onder druk gezet of gedwongen.
- Somberheid of wanhoop.
- Trekt zich terug of wordt stil.
- Voelt schuld of schaamte richting familie.
Familie/systeem:
- Oefent druk uit om te trouwen.
- Gebruikt schuld, schaamte of eer als middel.
- Dreigt met verstoting of uitsluiting.
- Manipuleert emoties of loyaliteit.
- Controleert keuzes en gedrag.
4. Psychische verwaarlozing
Betrokkene:
- Krijgt geen steun voor eigen wensen of keuzes.
- Voelt zich niet gehoord of serieus genomen.
- Ervaart emotionele eenzaamheid.
- Verliest vertrouwen in zichzelf.
- Voelt zich afhankelijk van familie.
Familie/systeem:
- Negeert gevoelens en wensen van betrokkene.
- Biedt geen ruimte voor autonomie.
- Toont weinig begrip of empathie.
- Stelt familiebelang boven individueel welzijn.
- Laat betrokkene geen eigen keuzes maken.
5. Financieel misbruik
Betrokkene:
- Is financieel afhankelijk van familie.
- Heeft geen toegang tot eigen geld.
- Kan niet zelfstandig keuzes maken over financiën.
- Wordt financieel onder druk gezet om te trouwen.
- Verliest controle over eigen middelen.
Familie/systeem:
- Gebruikt geld als drukmiddel.
- Beperkt toegang tot financiële middelen.
- Maakt financiële beslissingen zonder inspraak.
- Zet financiële afhankelijkheid in voor controle.
- Stelt voorwaarden aan financiële ondersteuning.
6. Digitaal geweld
Betrokkene:
- Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
- Ontvangt controlerende of dreigende berichten.
- Durft niet vrij te communiceren online.
- Is bang voor monitoring van contacten.
- Vermijdt gebruik van telefoon of sociale media.
Familie/systeem:
- Controleert telefoon, berichten of locatie.
- Gebruikt digitale middelen om toezicht te houden.
- Beperkt online communicatie.
- Houdt contacten en relaties in de gaten.
- Gebruikt digitale controle als drukmiddel.
7. Schending van rechten
Betrokkene:
- Kan niet vrij kiezen voor partner of huwelijk.
- Wordt beperkt in onderwijs of werk.
- Heeft geen bewegingsvrijheid.
- Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
- Loopt risico op achterlating of opsluiting.
Familie/systeem:
- Beslist over huwelijk zonder toestemming.
- Beperkt vrijheid en autonomie.
- Controleert leven en keuzes van betrokkene.
- Gebruikt eer of reputatie als rechtvaardiging.
- Schendt structureel rechten van betrokkene.
11. Achterlating
1. Lichamelijke mishandeling
Betrokkene:
- Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
- Angst voor specifieke familieleden.
- Schrikachtig bij contact met familie.
- Signalen van mishandeling tijdens verblijf.
- Fysieke klachten zonder duidelijke verklaring.
Familie/systeem:
- Gebruikt geweld om vertrek of verblijf af te dwingen.
- Reageert agressief bij verzet tegen reis of verblijf.
- Dreigt met geweld bij ongewenst gedrag.
- Bagatelliseert signalen van mishandeling.
- Handhaaft controle met dwang.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Betrokkene:
- Onvoldoende toegang tot voeding, zorg of hygiëne.
- Gezondheidsproblemen zonder behandeling.
- Vermoeidheid en lichamelijke achteruitgang.
- Geen toegang tot medische hulp.
- Onveilige leefomstandigheden in het buitenland.
Familie/systeem:
- Laat betrokkene zonder adequate zorg achter.
- Beperkt toegang tot medische hulp.
- Negeert gezondheidsklachten.
- Regelt geen passende opvang of begeleiding.
- Stelt familiebelang boven welzijn.
3. Psychische mishandeling
Betrokkene:
- Angst, paniek of stress rond reizen of verblijf.
- Voelt zich gedwongen om mee te gaan.
- Somberheid of wanhoop.
- Trekt zich terug of wordt stil.
- Voelt zich machteloos of gevangen.
Familie/systeem:
- Oefent druk uit om te vertrekken of te blijven.
- Dreigt met achterlating.
- Gebruikt schuld, schaamte of eer als middel.
- Manipuleert emoties of loyaliteit.
- Controleert gedrag en keuzes.
4. Psychische verwaarlozing
Betrokkene:
- Krijgt geen steun of bescherming.
- Voelt zich alleen en in de steek gelaten.
- Wordt niet gehoord in zorgen of wensen.
- Ervaart verlies van veiligheid en vertrouwen.
- Heeft geen toegang tot hulp of netwerk.
Familie/systeem:
- Negeert signalen van angst of onveiligheid.
- Biedt geen ondersteuning of contact.
- Laat betrokkene bewust achter zonder zorg.
- Toont geen betrokkenheid bij welzijn.
- Stelt eigen belangen boven veiligheid.
5. Financieel misbruik
Betrokkene:
- Heeft geen toegang tot geld of documenten.
- Is volledig afhankelijk van familie.
- Kan niet zelfstandig reizen of terugkeren.
- Verliest controle over eigen middelen.
- Wordt financieel onder druk gezet.
Familie/systeem:
- Houdt paspoort of geld achter.
- Beperkt toegang tot financiële middelen.
- Maakt betrokkene afhankelijk.
- Gebruikt geld als controlemiddel.
- Regelt financiën zonder inspraak.
6. Digitaal geweld
Betrokkene:
- Beperkte of geen toegang tot telefoon of internet.
- Wordt gecontroleerd in communicatie.
- Kan geen contact leggen met hulpverleners.
- Is bang om berichten te sturen.
- Wordt digitaal geïsoleerd.
Familie/systeem:
- Beperkt toegang tot digitale middelen.
- Controleert communicatie en contacten.
- Houdt toezicht via telefoon of sociale media.
- Voorkomt contact met hulpinstanties.
- Gebruikt digitale middelen voor controle.
7. Schending van rechten
Betrokkene:
- Wordt tegen wil achtergelaten in het buitenland.
- Kan niet terugkeren naar Nederland.
- Heeft geen toegang tot onderwijs of werk.
- Wordt beperkt in vrijheid en bewegingsruimte.
- Heeft geen toegang tot hulp of bescherming.
Familie/systeem:
- Beslist over verblijf zonder toestemming.
- Beperkt vrijheid en autonomie.
- Houdt documenten of middelen achter.
- Gebruikt achterlating als dwangmiddel.
- Schendt structureel rechten van betrokkene.
12. Eergerelateerd geweld
1. Lichamelijke mishandeling
Betrokkene:
- Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
- Angst voor specifieke familieleden.
- Schrikachtig of gespannen gedrag.
- Letsel na conflicten over gedrag of relaties.
- Vermijdt contact of oogcontact met familie.
Familie/systeem:
- Gebruikt geweld om gedrag te corrigeren.
- Dreigt met fysiek geweld bij ‘overtreding’ van normen.
- Reageert agressief op autonomie van betrokkene.
- Handhaaft controle met dwang of straf.
- Bagatelliseert of ontkent geweld.
2. Lichamelijke verwaarlozing
Betrokkene:
- Onvoldoende zorg door controle of opsluiting.
- Vermoeidheid en lichamelijke klachten door stress.
- Beperkte toegang tot medische zorg.
- Onvoldoende bewegingsvrijheid.
- Verwaarlozing van eigen gezondheid.
Familie/systeem:
- Beperkt toegang tot zorg of ondersteuning.
- Controleert dagelijkse activiteiten en beweging.
- Negeert gezondheidsklachten.
- Stelt familie-eer boven welzijn.
- Beperkt basisvoorzieningen als drukmiddel.
3. Psychische mishandeling
Betrokkene:
- Angst, spanning of constante alertheid.
- Voelt zich gecontroleerd of bedreigd.
- Somberheid of wanhoop.
- Trekt zich terug of wordt stil.
- Voelt schaamte of schuld richting familie.
Familie/systeem:
- Oefent druk uit om gedrag aan te passen.
- Gebruikt eer, schaamte of reputatie als middel.
- Dreigt met verstoting of geweld.
- Manipuleert emoties en loyaliteit.
- Controleert keuzes en sociale contacten.
4. Psychische verwaarlozing
Betrokkene:
- Krijgt geen steun voor eigen keuzes of identiteit.
- Voelt zich niet gehoord of geaccepteerd.
- Ervaart emotionele eenzaamheid.
- Verliest vertrouwen in zichzelf.
- Voelt zich afhankelijk van familie.
Familie/systeem:
- Negeert gevoelens en wensen van betrokkene.
- Biedt geen ruimte voor autonomie.
- Toont weinig begrip of empathie.
- Stelt familie-eer boven individueel welzijn.
- Sluit betrokkene uit bij afwijkend gedrag.
5. Seksueel misbruik
Betrokkene:
- Angst voor relaties of seksualiteit.
- Geen vrije keuze in partner of intimiteit.
- Schaamte of geheimhouding.
- Spanning bij contact met (toekomstige) partner.
- Ervaart druk rondom seksualiteit of huwelijk.
Familie/systeem:
- Dwingt tot seksuele gehoorzaamheid binnen relatie of huwelijk.
- Negeert grenzen en toestemming.
- Controleert seksualiteit van betrokkene.
- Bagatelliseert signalen van misbruik.
- Gebruikt eer als rechtvaardiging voor controle.
6. Financieel misbruik
Betrokkene:
- Is financieel afhankelijk van familie.
- Heeft geen toegang tot eigen geld.
- Kan geen zelfstandige keuzes maken.
- Wordt financieel onder druk gezet.
- Verliest controle over eigen middelen.
Familie/systeem:
- Gebruikt geld als drukmiddel.
- Beperkt toegang tot financiële middelen.
- Maakt financiële beslissingen zonder inspraak.
- Houdt betrokkene afhankelijk.
- Stelt voorwaarden aan ondersteuning.
7. Digitaal geweld
Betrokkene:
- Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
- Ontvangt dreigende of controlerende berichten.
- Durft niet vrij te communiceren.
- Is bang voor monitoring van contacten.
- Vermijdt gebruik van telefoon of sociale media.
Familie/systeem:
- Controleert telefoon, berichten of locatie.
- Gebruikt digitale middelen om toezicht te houden.
- Beperkt online communicatie.
- Houdt sociale contacten in de gaten.
- Gebruikt digitale controle als drukmiddel.
8. Schending van rechten
Betrokkene:
- Kan niet vrij keuzes maken over leven of relaties.
- Wordt beperkt in onderwijs, werk of sociale contacten.
- Heeft geen bewegingsvrijheid.
- Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
- Leeft onder constante controle en dreiging.
Familie/systeem:
- Beslist over leven en keuzes zonder toestemming.
- Beperkt vrijheid en autonomie.
- Controleert gedrag en sociale omgeving.
- Gebruikt eer als rechtvaardiging voor dwang.
- Schendt structureel rechten van betrokkene.
