🔽 Klik op een vorm voor meer informatie

1. (Ex-)partnergeweld

1. Lichamelijke mishandeling

Slachtoffer:

  • Regelmatig letsel met onduidelijke of wisselende verklaringen.
  • Angstig of schrikachtig bij bewegingen of stemverheffing.
  • Draagt bedekkende kleding, ook bij warm weer.
  • Wacht lang met medische hulp zoeken.
  • Vermijdt fysiek contact of oogcontact.

Pleger:

  • Bagatelliseert of ontkent letsel.
  • Geeft slachtoffer de schuld van geweld.
  • Heeft korte lont en snelle escalaties.
  • Is fysiek intimiderend, bijvoorbeeld door blokkeren of dreigen.
  • Toont weinig berouw of empathie.

2. Lichamelijke verwaarlozing

Slachtoffer:

  • Slechte lichamelijke conditie, zoals vermoeidheid of ondervoeding.
  • Onvoldoende toegang tot medische zorg.
  • Onvoldoende rust of slaap door spanningen.
  • Geen ruimte om voor zichzelf te zorgen.
  • Verwaarloosde uiterlijke verzorging.

Pleger:

  • Negeert gezondheidsklachten van partner.
  • Belemmert toegang tot zorg of medicatie.
  • Neemt geen verantwoordelijkheid voor basisbehoeften.
  • Minimaliseert fysieke klachten.
  • Laat partner structureel overbelast raken.

3. Psychische mishandeling

Slachtoffer:

  • Loopt op eieren en is voortdurend alert.
  • Heeft laag zelfbeeld of twijfelt aan eigen waarneming.
  • Is angstig, somber of gespannen.
  • Vermijdt contact met anderen.
  • Toont afhankelijk of onderdanig gedrag.

Pleger:

  • Kleineert, vernedert of beledigt structureel.
  • Controleert gedrag, contacten en keuzes.
  • Dreigt met geweld, zelfdoding of kinderen.
  • Manipuleert, zoals gaslighting of schuld omkeren.
  • Isoleert partner van het netwerk.

4. Psychische verwaarlozing

Slachtoffer:

  • Voelt zich emotioneel alleen binnen de relatie.
  • Krijgt geen steun bij stress of problemen.
  • Twijfelt aan eigen gevoelens of behoeften.
  • Past zich voortdurend aan aan de ander.
  • Verliest eigen identiteit of autonomie.

Pleger:

  • Is emotioneel onbereikbaar of onverschillig.
  • Reageert niet op emotionele behoeften.
  • Toont geen interesse in het welzijn van partner.
  • Ontkent gevoelens of ervaringen van partner.
  • Laat partner structureel in de steek.

5. Seksueel misbruik

Slachtoffer:

  • Ervaart druk om seks te hebben.
  • Heeft angst of spanning rondom intimiteit.
  • Heeft pijnklachten of lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.
  • Ervaart schaamte of terughoudendheid om hierover te spreken.
  • Geeft aan geen keuzevrijheid te ervaren.

Pleger:

  • Dwingt of chanteert tot seksuele handelingen.
  • Negeert grenzen of een nee van partner.
  • Gebruikt druk, schuld of dreiging.
  • Ziet seks als recht binnen de relatie.
  • Bagatelliseert of ontkent grensoverschrijding.

6. Financieel misbruik

Slachtoffer:

  • Heeft geen toegang tot eigen geld of rekening.
  • Moet toestemming vragen voor uitgaven.
  • Heeft schulden door toedoen van partner.
  • Weet weinig van de eigen financiële situatie.
  • Is financieel afhankelijk en kan niet weg.

Pleger:

  • Controleert inkomen, uitgaven en administratie.
  • Neemt geld af of gebruikt dit zonder toestemming.
  • Zet partner onder druk om schulden aan te gaan.
  • Houdt financiële informatie achter.
  • Gebruikt geld als machtsmiddel.

7. Digitaal geweld

Slachtoffer:

  • Wordt constant gebeld, geappt of gecontroleerd.
  • Voelt zich onveilig via telefoon of sociale media.
  • Verandert vaak wachtwoorden of accounts.
  • Ontvangt dreigende of dwingende berichten.
  • Vermijdt online contact uit angst.

Pleger:

  • Controleert telefoon, accounts of locatie.
  • Stuurt grote hoeveelheden berichten om te controleren.
  • Houdt online activiteiten in de gaten.
  • Verspreidt privé-informatie of beelden.
  • Doet zich online voor als slachtoffer.

8. Schending van rechten

Slachtoffer:

  • Kan niet vrij keuzes maken over werk, contact of wonen.
  • Mag geen hulp zoeken of afspraken maken.
  • Wordt beperkt in bewegingsvrijheid.
  • Voelt zich niet vrij om de relatie te beëindigen.
  • Ervaart constante controle over het leven.

Pleger:

  • Beperkt vrijheid en autonomie van partner.
  • Beslist over belangrijke levenskeuzes.
  • Houdt documenten, sleutels of middelen achter.
  • Zet druk rondom kinderen of verblijf.
  • Gebruikt dreiging om controle te behouden.

2. Kindermishandeling 0-2 jaar

1. Lichamelijke mishandeling

Kind:

  • Onverklaarbare blauwe plekken, brandwonden of botbreuken.
  • Letsel dat niet past bij de ontwikkelingsfase van het kind.
  • Schrikachtig, verstijfd of juist apathisch gedrag.
  • Heftig huilen bij aanraking of verzorging.
  • Terugkerend letsel met wisselende verklaringen.

Ouder/verzorger:

  • Geeft tegenstrijdige of onduidelijke verklaringen over letsel.
  • Reageert geïrriteerd of boos op huilgedrag van de baby.
  • Toont weinig inlevingsvermogen in pijn of ongemak van het kind.
  • Bagatelliseert of ontkent letsel.
  • Gaat ruw of ongeduldig om met het kind.

2. Lichamelijke verwaarlozing

Kind:

  • Ondervoeding, weinig groei of gewichtsverlies.
  • Slechte hygiëne, zoals vieze huid of kleding.
  • Onvoldoende kleding passend bij temperatuur.
  • Gemiste medische afspraken of vaccinaties.
  • Veel huilen, weinig energie of vaak ziek zijn.

Ouder/verzorger:

  • Komt afspraken met zorgverleners niet na.
  • Reageert onvoldoende op basisbehoeften zoals voeding of slaap.
  • Heeft weinig structuur in verzorging.
  • Signaleert of erkent gezondheidsproblemen niet.
  • Laat het kind langdurig zonder toezicht.

3. Psychische mishandeling

Kind:

  • Extreem angstig of juist opvallend stil en teruggetrokken.
  • Reageert gespannen op stemgeluid of nabijheid van verzorger.
  • Huilt ontroostbaar of lijkt niet getroost te willen worden.
  • Toont weinig initiatief tot contact.
  • Heeft moeite met reguleren van emoties.

Ouder/verzorger:

  • Schreeuwt, dreigt of reageert agressief naar het kind.
  • Toont afwijzend of vijandig gedrag.
  • Reageert onvoorspelbaar op signalen van het kind.
  • Geeft het kind structureel negatieve aandacht.
  • Maakt het kind bang of schrikt het bewust af.

4. Psychische verwaarlozing

Kind:

  • Weinig oogcontact of reactie op sociale prikkels.
  • Weinig hechtingsgedrag, zoekt geen troost.
  • Ontwikkelingsachterstand in motoriek of communicatie.
  • Weinig expressie of initiatief.
  • Toont vlak of afwezig affect.

Ouder/verzorger:

  • Is emotioneel afwezig of weinig responsief.
  • Reageert niet op signalen van het kind.
  • Biedt weinig warmte, aandacht of nabijheid.
  • Heeft weinig interactie met het kind.
  • Toont geen interesse in ontwikkeling van het kind.

5. Seksueel misbruik

Kind:

  • Pijn, roodheid of letsel aan genitaliën of anus.
  • Heftig huilen bij verschonen of wassen.
  • Angstreacties bij specifieke persoon.
  • Onverklaarbare lichamelijke klachten.
  • Terugkerende infecties of irritaties.

Ouder/verzorger:

  • Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
  • Overschrijdt lichamelijke grenzen van het kind.
  • Reageert defensief op vragen over verzorging.
  • Bagatelliseert signalen of klachten.
  • Toont ongepast lichamelijk gedrag richting het kind.

6. Digitaal geweld

Kind:

  • Wordt gefilmd of gefotografeerd in kwetsbare situaties.
  • Beelden van het kind worden gedeeld zonder bescherming of toestemming.
  • Wordt gebruikt in online content zonder oog voor privacy.
  • Is zichtbaar onderdeel van online conflicten of ruzies.
  • Wordt blootgesteld aan digitale prikkels die niet passend zijn bij leeftijd.

Ouder/verzorger:

  • Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
  • Gebruikt het kind voor online aandacht of bevestiging.
  • Negeert risico’s van online zichtbaarheid van het kind.
  • Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
  • Overschrijdt grenzen van het kind in digitale context.

7. Schending van rechten

Kind:

  • Krijgt onvoldoende bescherming, zorg of veiligheid.
  • Heeft geen stabiele en veilige leefomgeving.
  • Wordt niet gehoord of gezien in basisbehoeften.
  • Wordt blootgesteld aan onveilige of schadelijke situaties.
  • Heeft geen toegang tot passende zorg of ondersteuning.

Ouder/verzorger::

  • Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid van het kind.
  • Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
  • Beperkt toegang tot zorg of hulpverlening.
  • Laat het kind opgroeien in onveilige omstandigheden.
  • Schendt structureel rechten van het kind op bescherming en ontwikkeling.

3. Kindermishandeling 2-4 jaar

1. Lichamelijke mishandeling

Kind:

  • Blauwe plekken of letsel op ongebruikelijke plaatsen.
  • Letsel dat niet past bij de ontwikkelingsfase van het kind.
  • Angstig of schrikachtig bij plotselinge bewegingen.
  • Bang om fouten te maken of straf te krijgen.
  • Trekt zich terug of reageert juist agressief.

Ouder/verzorger:

  • Geeft wisselende of onduidelijke verklaringen over letsel.
  • Reageert snel boos of geïrriteerd op gedrag van het kind.
  • Past harde of fysieke straffen toe.
  • Bagatelliseert of ontkent letsel.
  • Toont weinig inlevingsvermogen in pijn of angst van het kind.

2. Lichamelijke verwaarlozing

Kind:

  • Vieze kleding of slechte hygiëne.
  • Hongerig of vermoeid gedrag.
  • Onvoldoende toezicht in onveilige situaties.
  • Gemiste medische zorg of controles.
  • Achterstand in groei of lichamelijke ontwikkeling.

Ouder/verzorger:

  • Biedt weinig structuur in voeding, slaap en verzorging.
  • Reageert onvoldoende op basisbehoeften.
  • Komt afspraken met zorgverleners niet na.
  • Laat het kind regelmatig zonder passend toezicht.
  • Onderschat of negeert gezondheidsproblemen.

3. Psychische mishandeling

Kind:

  • Extreem angstig, teruggetrokken of juist agressief gedrag.
  • Overmatig pleasen of voortdurend zoeken naar bevestiging.
  • Bang om contact te maken of initiatief te nemen.
  • Onvoorspelbare emotionele reacties.
  • Weinig zelfvertrouwen of initiatief.

Ouder/verzorger:

  • Kleineert, scheldt of maakt het kind bang.
  • Reageert onvoorspelbaar en wisselend op gedrag.
  • Stelt onrealistische eisen aan het kind.
  • Gebruikt dreiging of angst als opvoedmiddel.
  • Geeft structureel negatieve aandacht.

4. Psychische verwaarlozing

Kind:

  • Weinig spel of interactie met anderen.
  • Taal- of ontwikkelingsachterstand.
  • Zoekt weinig troost of aandacht.
  • Toont weinig emoties of initiatief.
  • Hechtingsproblemen of claimend gedrag.

Ouder/verzorger:

  • Is emotioneel weinig beschikbaar.
  • Reageert niet of nauwelijks op signalen van het kind.
  • Biedt weinig aandacht, warmte of stimulans.
  • Heeft weinig interactie of spelmomenten.
  • Toont weinig betrokkenheid bij ontwikkeling.

5. Seksueel misbruik

Kind:

  • Seksueel gedrag of taal die niet past bij de leeftijd.
  • Angst voor verschonen, slapen of specifieke personen.
  • Pijn, jeuk of roodheid aan genitaliën.
  • Terugkerende lichamelijke klachten zonder duidelijke oorzaak.
  • Veranderingen in gedrag zoals terugtrekking of angst.

Ouder/verzorger:

  • Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
  • Overschrijdt lichamelijke grenzen van het kind.
  • Reageert defensief op vragen over verzorging.
  • Bagatelliseert signalen of klachten.
  • Toont ongepast lichamelijk gedrag richting het kind.

    6. Digitaal geweld

    Kind:

    • Wordt gefilmd of gefotografeerd in kwetsbare situaties.
    • Beelden worden gedeeld zonder bescherming van privacy.
    • Wordt gebruikt in online content zonder passende grenzen.
    • Wordt blootgesteld aan schermgebruik dat niet passend is.
    • Is onderdeel van online conflicten of spanningen.

    Ouder/verzorger:

    • Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
    • Gebruikt het kind voor online aandacht of bevestiging.
    • Negeert risico’s van online zichtbaarheid.
    • Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
    • Overschrijdt grenzen van het kind in digitale context.

    7. Schending van rechten

    Kind:

    • Krijgt onvoldoende bescherming, zorg of veiligheid.
    • Heeft geen stabiele en veilige leefomgeving.
    • Wordt niet gezien of gehoord in behoeften.
    • Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
    • Heeft geen toegang tot passende ondersteuning.

    Ouder/verzorger:

    • Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid van het kind.
    • Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
    • Beperkt toegang tot zorg of hulpverlening.
    • Laat het kind opgroeien in onveilige omstandigheden.
    • Schendt structureel rechten van het kind.

    4. Kindermishandeling 4-12 jaar

    1. Lichamelijke mishandeling

    Kind:

    • Regelmatig blauwe plekken of letsel op ongebruikelijke plaatsen.
    • Letsel met onduidelijke of wisselende verklaringen.
    • Bang voor lichamelijk contact of plotselinge bewegingen.
    • Bang om naar huis te gaan of naar bepaalde personen.
    • Schrikachtig, teruggetrokken of juist agressief gedrag.

    Ouder/verzorger:

    • Geeft tegenstrijdige verklaringen over letsel.
    • Reageert snel boos of fysiek op gedrag van het kind.
    • Past harde of onvoorspelbare straffen toe.
    • Bagatelliseert of ontkent letsel.
    • Toont weinig inlevingsvermogen in het kind.

    2. Lichamelijke verwaarlozing

    Kind:

    • Vieze kleding of slechte hygiëne.
    • Hongerig of vermoeid gedrag op school.
    • Onvoldoende passende kleding bij weer of situatie.
    • Gemiste medische zorg of afspraken.
    • Achterstand in groei of gezondheid.

    Ouder/verzorger:

    • Biedt onvoldoende structuur in voeding, slaap en verzorging.
    • Komt afspraken met school of zorg niet na.
    • Laat het kind zonder passend toezicht.
    • Negeert signalen van ziekte of klachten.
    • Neemt geen verantwoordelijkheid voor basiszorg.

    3. Psychische mishandeling

    Kind:

    • Laag zelfbeeld of weinig zelfvertrouwen.
    • Angstig, somber of gespannen gedrag.
    • Overmatig aanpassen of pleasen.
    • Problemen met concentratie of schoolprestaties.
    • Teruggetrokken of juist opvallend druk en agressief gedrag.

    Ouder/verzorger:

    • Kleineert, scheldt of bekritiseert het kind structureel.
    • Stelt onrealistische eisen of verwachtingen.
    • Gebruikt dreiging of angst als opvoedmiddel.
    • Reageert onvoorspelbaar op gedrag.
    • Betrekt het kind in conflicten of zet het onder druk.

    4. Psychische verwaarlozing

    Kind:

    • Krijgt weinig emotionele steun of aandacht.
    • Voelt zich alleen of niet gezien.
    • Neemt zorgtaken op zich die niet passen bij de leeftijd.
    • Heeft moeite met sociale contacten.
    • Toont weinig initiatief of interesse.

    Ouder/verzorger:

    • Is emotioneel onbeschikbaar of afstandelijk.
    • Reageert niet op behoeften van het kind.
    • Biedt weinig begeleiding of stimulans.
    • Laat het kind verantwoordelijkheden dragen die niet passend zijn.
    • Toont weinig betrokkenheid bij school of ontwikkeling.

    5. Seksueel misbruik

    Kind:

    • Toont seksueel gedrag dat niet past bij de leeftijd.
    • Heeft angst voor bepaalde personen of situaties.
    • Ervaart lichamelijke klachten zoals pijn of jeuk.
    • Is teruggetrokken of plotseling veranderd gedrag.
    • Heeft schaamte of geheimhouding rond lichaam of contact.

    Ouder/verzorger:

    • Zoekt opvallend vaak alleenmomenten met het kind.
    • Overschrijdt lichamelijke grenzen.
    • Reageert defensief op vragen of signalen.
    • Bagatelliseert klachten of gedrag van het kind.
    • Toont ongepast lichamelijk of seksueel getint gedrag.

      6. Digitaal geweld

      Kind:

      • Wordt online gevolgd of gecontroleerd door ouder/verzorger.
      • Wordt gefilmd of gedeeld zonder toestemming.
      • Wordt betrokken in online conflicten.
      • Heeft angst voor reacties of controle via digitale middelen.
      • Wordt blootgesteld aan niet-leeftijdsgebonden content.

      Ouder/verzorger:

      • Controleert online gedrag en communicatie van het kind excessief.
      • Deelt beelden van het kind zonder rekening te houden met privacy.
      • Gebruikt digitale middelen om druk uit te oefenen.
      • Maakt het kind onderdeel van online conflicten.
      • Overschrijdt grenzen in digitale opvoeding.

      7. Schending van rechten

      Kind:

      • Heeft geen veilige en stabiele leefomgeving.
      • Kan zich niet vrij ontwikkelen of uiten.
      • Wordt niet gehoord of serieus genomen.
      • Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
      • Heeft geen toegang tot passende zorg of onderwijs.

      Ouder/verzorger:

      • Beperkt de ontwikkeling en autonomie van het kind.
      • Neemt geen verantwoordelijkheid voor veiligheid.
      • Beperkt toegang tot zorg, onderwijs of hulp.
      • Stelt eigen behoeften boven die van het kind.
      • Schendt structureel rechten van het kind.

      5. Kindermishandeling 12-18 jaar

      1. Lichamelijke mishandeling

      Jongere:

      • Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
      • Letsel met wisselende of onduidelijke verklaringen.
      • Bang voor lichamelijk contact of bepaalde personen.
      • Vermijdt thuissituatie of wil niet naar huis.
      • Toont risicogedrag zoals weglopen of middelengebruik.

      Ouder/verzorger:

      • Geeft tegenstrijdige verklaringen over letsel.
      • Reageert snel agressief of fysiek op gedrag van het kind.
      • Past harde of onvoorspelbare straffen toe.
      • Bagatelliseert of ontkent geweld.
      • Toont weinig inlevingsvermogen in het kind.

      2. Lichamelijke verwaarlozing

      Jongere:

      • Structureel gebrek aan voeding, slaap of verzorging.
      • Onvoldoende passende kleding of hygiëne.
      • Gemiste medische zorg of behandeling.
      • Vermoeidheid en concentratieproblemen.
      • Gezondheidsproblemen door gebrek aan zorg.

      Ouder/verzorger:

      • Biedt onvoldoende basiszorg of structuur.
      • Komt afspraken met school of zorg niet na.
      • Negeert signalen van ziekte of klachten.
      • Laat het kind zonder passend toezicht.
      • Neemt geen verantwoordelijkheid voor welzijn.

      3. Psychische mishandeling

      Jongere:

      • Somberheid, angst of sterke stemmingswisselingen.
      • Laag zelfbeeld of gevoelens van waardeloosheid.
      • Terugtrekking of juist agressief gedrag.
      • Zelfbeschadiging of suïcidegedachten.
      • Extreme afhankelijkheid of juist afwijzing van ouder.

      Ouder/verzorger:

      • Kleineert, vernedert of bekritiseert het kind structureel.
      • Gebruikt dreiging, schuld of schaamte als middel.
      • Stelt onrealistische eisen of verwachtingen.
      • Reageert onvoorspelbaar en wisselend.
      • Zet het kind onder druk in conflicten.

      4. Psychische verwaarlozing

      Jongere:

      • Krijgt weinig emotionele steun of begeleiding.
      • Voelt zich alleen of niet begrepen.
      • Neemt verantwoordelijkheden die niet passend zijn.
      • Heeft moeite met identiteitsontwikkeling.
      • Toont weinig motivatie of perspectief.

      Ouder/verzorger:

      • Is emotioneel afwezig of afstandelijk.
      • Reageert niet op behoeften van het kind.
      • Biedt weinig begeleiding of ondersteuning.
      • Laat het kind over aan zichzelf.
      • Toont weinig betrokkenheid bij school of leven van het kind.

      5. Seksueel misbruik

      Jongere:

      • Grensoverschrijdend seksueel gedrag of juist vermijding.
      • Angst voor bepaalde personen of situaties.
      • Lichamelijke klachten zoals pijn of infecties.
      • Schaamte, geheimhouding of terugtrekking.
      • Plotseling veranderd gedrag of relaties.

      Ouder/verzorger:

      • Overschrijdt lichamelijke of seksuele grenzen.
      • Zoekt ongepaste nabijheid of alleenmomenten.
      • Reageert defensief op vragen of signalen.
      • Bagatelliseert klachten of gedrag.
      • Toont ongepast seksueel getint gedrag.

      6. Financieel misbruik

      Jongere:

      • Moet eigen geld afstaan aan ouder/verzorger.
      • Heeft geen toegang tot eigen inkomsten.
      • Kan niet deelnemen aan school of sociale activiteiten.
      • Heeft gebrek aan basisvoorzieningen.
      • Is financieel afhankelijk zonder ruimte voor eigen keuzes.

      Ouder/verzorger:

      • Neemt geld of inkomsten van het kind af.
      • Controleert financiële middelen van het kind.
      • Geeft prioriteit aan eigen uitgaven.
      • Laat noodzakelijke voorzieningen achterwege.
      • Gebruikt geld als machtsmiddel.

      7. Digitaal geweld

      Jongere:

      • Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
      • Ontvangt dreigende of controlerende berichten.
      • Wordt online onder druk gezet of gechanteerd.
      • Is bang voor controle via telefoon of sociale media.
      • Wordt betrokken in online conflicten.

      Ouder/verzorger:

      • Controleert telefoon, berichten of accounts van het kind excessief.
      • Gebruikt digitale middelen om druk uit te oefenen.
      • Deelt privé-informatie van het kind.
      • Houdt online gedrag voortdurend in de gaten.
      • Overschrijdt grenzen in digitale controle.

      8. Schending van rechten

      Jongere:

      • Kan geen eigen keuzes maken over leven of toekomst.
      • Wordt beperkt in contact, school of ontwikkeling.
      • Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
      • Wordt blootgesteld aan onveilige situaties.
      • Heeft geen toegang tot passende ondersteuning.

      Ouder/verzorger:

      • Beperkt autonomie en ontwikkeling van het kind.
      • Beslist over keuzes zonder ruimte voor inspraak.
      • Beperkt toegang tot zorg, onderwijs of hulp.
      • Stelt eigen normen boven welzijn van het kind.
      • Schendt structureel rechten van het kind.

      6. Ouder-mishandeling

      1. Lichamelijke mishandeling

      Ouder:

      • Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
      • Bang of schrikachtig bij aanwezigheid van kind.
      • Vermijdt contact of conflicten met kind.
      • Past gedrag aan om escalatie te voorkomen.
      • Zoekt laat of geen medische hulp.

      Kind/jongere:

      • Gebruikt fysiek geweld zoals slaan, duwen of schoppen.
      • Blokkeert doorgang of beperkt bewegingsvrijheid.
      • Reageert snel agressief bij frustratie.
      • Toont weinig controle over boosheid.
      • Bagatelliseert of ontkent geweld.

      2. Psychische mishandeling

      Ouder:

      • Leeft op eieren en is voortdurend alert.
      • Is angstig, gespannen of somber.
      • Voelt zich machteloos of schuldig.
      • Trekt zich terug of vermijdt contact.
      • Durft geen grenzen te stellen.

      Kind/jongere:

      • Scheldt, kleineert of beledigt ouder.
      • Dreigt met geweld of weglopen.
      • Chanteert of manipuleert ouder.
      • Zet ouder onder druk om toe te geven.
      • Toont controlerend gedrag.

      3. Financieel misbruik

          Ouder:

          • Moet geld geven om rust te bewaren.
          • Heeft schulden door gedrag van kind.
          • Verliest controle over eigen financiën.
          • Durft geen nee te zeggen tegen geldvragen.
          • Ervaart financiële stress door druk.

          Kind/jongere:

          • Neemt geld of spullen zonder toestemming.
          • Dwingt ouder tot geven van geld.
          • Maakt schulden op naam van ouder.
          • Gebruikt geld als middel voor controle.
          • Toont geen verantwoordelijkheid voor financiën.

          4. Digitaal geweld

          Ouder:

          • Ontvangt dreigende of beledigende berichten.
          • Voelt zich gecontroleerd via digitale middelen.
          • Is bang voor online gedrag van kind.
          • Wordt online onder druk gezet.
          • Vermijdt contact uit angst voor escalatie.

          Kind/jongere:

          • Stuurt dreigende of controlerende berichten.
          • Gebruikt sociale media om ouder onder druk te zetten.
          • Verspreidt informatie over ouder.
          • Controleert online gedrag van ouder.
          • Gebruikt digitale middelen om macht uit te oefenen.

          5. Schending van rechten

          Ouder:

          • Verliest regie over eigen huis en leven.
          • Durft geen hulp te zoeken.
          • Voelt zich niet vrij om grenzen te stellen.
          • Leeft in onveilige situatie.
          • Ervaart verlies van autonomie.

          Kind/jongere:

          • Neemt controle over beslissingen in huis.
          • Respecteert grenzen van ouder niet.
          • Beperkt vrijheid van ouder.
          • Zet ouder onder druk om keuzes te maken.
          • Doorbreekt gezagsverhoudingen structureel.

          7. Ouderenmishandeling - Ontspoorde mantelzorg

          1. Lichamelijke mishandeling

          Oudere:

          • Blauwe plekken of letsel door ruw handelen.
          • Angstig of gespannen bij verzorgingsmomenten.
          • Reageert schrikachtig op aanraking.
          • Toont terughoudendheid bij hulp of zorg.
          • Letsel dat samenhangt met overbelasting van mantelzorger.

          Mantelzorger:

          • Handelt gehaast of ongeduldig tijdens verzorging.
          • Toont frustratie of irritatie richting oudere.
          • Heeft moeite met het reguleren van stress.
          • Is zichtbaar overbelast of uitgeput.
          • Bagatelliseert signalen van letsel.

          2. Lichamelijke verwaarlozing

          Oudere:

          • Onvoldoende voeding, vocht of hygiëne.
          • Gemiste medicatie of medische zorg.
          • Onverzorgde leefomgeving.
          • Doorligplekken of lichamelijke achteruitgang.
          • Onvoldoende toezicht of ondersteuning.

          Mantelzorger:

          • Kan zorg niet meer goed organiseren.
          • Verliest overzicht over zorgtaken.
          • Stelt zorg uit door overbelasting.
          • Komt afspraken niet na.
          • Vraagt geen of te laat hulp.

          3. Psychische mishandeling

          Oudere:

          • Angstig, gespannen of teruggetrokken gedrag.
          • Voelt zich tot last of schuldig.
          • Vermijdt contact met mantelzorger.
          • Toont onzekerheid of afhankelijkheid.
          • Veranderingen in stemming of gedrag.

          Mantelzorger:

          • Reageert kortaf, boos of geïrriteerd.
          • Kleineert of spreekt negatief over de oudere.
          • Toont weinig geduld of begrip.
          • Laat frustratie af op de oudere.
          • Heeft moeite met grenzen en verwachtingen.

          4. Psychische verwaarlozing

          Oudere:

          • Krijgt weinig aandacht of contact.
          • Voelt zich eenzaam of vergeten.
          • Heeft weinig sociale interactie.
          • Toont apathie of somberheid.
          • Verliest interesse in dagelijkse activiteiten.

          Mantelzorger:

          • Is emotioneel uitgeput of afwezig.
          • Heeft weinig ruimte voor aandacht of gesprek.
          • Richt zich alleen op praktische zorg.
          • Toont weinig betrokkenheid bij welzijn.
          • Heeft geen balans tussen zorg en eigen leven.

          5. Schending van rechten

          Oudere:

          • Heeft weinig regie over eigen leven.
          • Kan niet meebeslissen over zorg.
          • Wordt beperkt in contact met anderen.
          • Leeft in afhankelijkheid zonder inspraak.
          • Voelt zich niet gehoord of gezien.

          Mantelzorger:

          • Neemt beslissingen zonder overleg.
          • Heeft weinig oog voor autonomie van de oudere.
          • Stelt praktische zorg boven wensen van de oudere.
          • Zoekt geen ondersteuning of afstemming.
          • Handelt vanuit overbelasting in plaats van afstemming.

            8. Ouderenmishandeling - Opzettelijke mishandeling

            1. Lichamelijke mishandeling

            Oudere:

            • Herhaald letsel met duidelijke patronen.
            • Angst voor specifieke persoon.
            • Probeert contact te vermijden.
            • Toont extreme schrikreacties.
            • Zoekt hulp maar durft niet te spreken.

            Pleger:

            • Gebruikt bewust fysiek geweld.
            • Dreigt of intimideert actief.
            • Toont controle en macht.
            • Ontkent of rechtvaardigt gedrag.
            • Heeft weinig tot geen berouw.

            2. Lichamelijke verwaarlozing

            Oudere:

            • Structureel gebrek aan zorg of ondersteuning.
            • Ernstige achteruitgang in gezondheid.
            • Onveilige leefomgeving.
            • Langdurige verwaarlozing.
            • Geen toegang tot medische zorg.

            Pleger:

            • Laat zorg bewust achterwege.
            • Negeert hulpvragen van de oudere.
            • Is onverschillig over welzijn.
            • Weigert ondersteuning in te schakelen.
            • Laat de situatie bewust verslechteren.

            3. Psychische mishandeling

            Oudere:

            • Leeft in constante angst.
            • Is sociaal geïsoleerd.
            • Toont extreme afhankelijkheid.
            • Is onzeker of verward.
            • Durft geen mening te geven.

            Pleger:

            • Kleineert en intimideert doelbewust.
            • Dreigt met geweld of consequenties.
            • Isoleert de oudere van netwerk.
            • Gebruikt manipulatie en controle.
            • Oefent macht uit over dagelijks leven.

            4. Psychische verwaarlozing

            Oudere:

            • Voelt zich bewust genegeerd of buitengesloten.
            • Krijgt geen aandacht of erkenning.
            • Toont ernstige somberheid of apathie.
            • Verliest interesse in leven.
            • Heeft geen sociale contacten.

            Pleger:

            • Negeert de oudere structureel.
            • Toont geen enkele betrokkenheid.
            • Sluit de oudere uit van contact.
            • Reageert afwijzend op behoeften.
            • Laat de oudere bewust alleen.

            5. Seksueel misbruik

            Oudere:

            • Angst of paniek bij bepaalde personen.
            • Onverklaarbare verwondingen of klachten.
            • Schaamte of geheimhouding.
            • Plotselinge gedragsveranderingen.
            • Vermijdt lichamelijk contact.

            Pleger:

            • Overschrijdt bewust seksuele grenzen.
            • Zoekt ongepaste nabijheid.
            • Ontkent of bagatelliseert gedrag.
            • Reageert defensief of agressief op vragen.
            • Toont doelgericht grensoverschrijdend gedrag.

            6. Financieel misbruik

            Oudere:

            • Grote of onverklaarbare geldopnames.
            • Verlies van bezittingen.
            • Geen inzicht in financiële situatie.
            • Onbetaalde rekeningen ondanks inkomen.
            • Financiële afhankelijkheid van pleger.

            Pleger:

            • Neemt bewust geld of bezittingen af.
            • Regelt financiën zonder toestemming.
            • Zet de oudere onder druk om te tekenen.
            • Houdt informatie achter.
            • Gebruikt geld als machtsmiddel.

            7. Digitaal geweld

            Oudere:

            • Verliest toegang tot accounts of gegevens.
            • Wordt slachtoffer van digitale fraude.
            • Is afhankelijk van pleger voor digitale zaken.
            • Toont angst voor digitale handelingen.
            • Begrijpt niet wat er digitaal gebeurt.

            Pleger:

            • Misbruikt digitale toegang zoals bankzaken.
            • Neemt controle over accounts.
            • Doet transacties zonder toestemming.
            • Beperkt toegang tot digitale middelen.
            • Gebruikt digitale middelen voor controle.

            8. Schending van rechten

            Oudere:

            • Heeft geen zeggenschap over eigen leven.
            • Wordt beperkt in contact en vrijheid.
            • Heeft geen privacy of autonomie.
            • Leeft in onveilige omstandigheden.
            • Heeft geen toegang tot passende zorg.

            Pleger:

            • Neemt controle over beslissingen.
            • Beperkt vrijheid en autonomie.
            • Beslist zonder inspraak.
            • Stelt eigen belangen centraal.
            • Schendt structureel rechten van de oudere.

            9. Meisjesbesnijdenis

            Dreigende meisjesbesnijdenis

            1. Lichamelijk

            Meisje:

            • Angst voor vakantie of reis naar land van herkomst.
            • Spanning bij gesprekken over familiebezoek of ceremonie.
            • Plotselinge onrust of huilen rond vertrek.
            • Lichamelijke klachten zoals buikpijn of hoofdpijn door stress.
            • Vermoeidheid, slaapproblemen of verlies van eetlust.
            • Schrikachtig gedrag bij lichamelijk contact.
            • Uitspraken als “ik ga lang weg” of “ik moet iets doen”.
            • Plotselinge schooluitval of afwezigheid voor vakantie.

            Familie/systeem:

            • Plant reis naar land waar meisjesbesnijdenis voorkomt.
            • Organiseert langdurig verblijf in buitenland.
            • Houdt reisdetails vaag of geheim.
            • Regelt paspoort of documenten op korte termijn.
            • Bagatelliseert risico’s van de ingreep.
            • Reageert defensief of ontwijkend op vragen.
            • Spreekt over “vrouw worden”, “feest” of “traditie”.
            • Handhaaft strikte controle over het meisje.

            2. Psychisch

            Meisje:

            • Angst, paniek of spanning rond vakantie of familiebezoek.
            • Voelt zich onder druk gezet om mee te gaan.
            • Trekt zich terug of wordt stil.
            • Somberheid of wanhoop.
            • Loyaliteitsconflict met familie.
            • Bang om iets verkeerd te doen.
            • Durft niet vrij te spreken of vragen te stellen.
            • Neemt afscheid van vrienden of leerkracht.
            • Zoekt indirect hulp of geeft signalen van angst.

            Familie/systeem:

            • Oefent druk uit om ingreep te accepteren.
            • Gebruikt eer, schaamte of traditie als argument.
            • Dreigt met uitsluiting, straf of reputatieschade.
            • Minimaliseert angst of weerstand van het meisje.
            • Controleert gedrag, kleding en sociale contacten.
            • Beperkt contact met vrienden of school.
            • Legt nadruk op gehoorzaamheid.
            • Laat geen ruimte voor eigen keuze.

            Uitgevoerde meisjesbesnijdenis

            1. Lichamelijk

            Meisje:

            • Pijn bij lopen, zitten of bewegen.
            • Anders lopen, voorzichtig of wijdbeens.
            • Moeite met plassen of branderig gevoel.
            • Langdurig toiletbezoek of vaker naar toilet.
            • Niet kunnen deelnemen aan gym of sport.
            • Fysieke klachten na vakantie of verblijf in buitenland.
            • Infecties, koorts of complicaties.
            • Bloedverlies of wondproblemen.
            • Blijvende pijnklachten.
            • Problemen bij menstruatie.
            • Niet willen zitten op harde stoel.
            • Angst voor lichamelijk onderzoek.

            Familie/systeem:

            • Ontkent dat ingreep heeft plaatsgevonden.
            • Bagatelliseert lichamelijke klachten.
            • Reageert defensief of ontwijkend op vragen.
            • Houdt informatie achter.
            • Minimaliseert ernst van situatie.
            • Zoekt geen medische hulp.
            • Verklaart klachten als “normaal”.
            • Houdt meisje thuis of uit zicht.

            2. Psychisch

            Meisje:

            • Plotselinge gedragsverandering na vakantie.
            • Van open naar stil of teruggetrokken gedrag.
            • Angst, spanning of schrikreacties.
            • Traumareacties zoals nachtmerries.
            • Somberheid of verlies van plezier.
            • Schaamte en geheimhouding.
            • Verlies van vertrouwen in volwassenen.
            • Vermijden van gesprekken over lichaam of seksualiteit.
            • Negatief lichaamsbeeld.
            • Prikkelbaarheid of emotionele ontregeling.
            • Moeite met relaties of nabijheid.
            • Concentratieproblemen op school.

            Familie/systeem:

            • Legt zwijgplicht op over de ingreep.
            • Ontkent impact of schade.
            • Minimaliseert gevoelens van het meisje.
            • Voorkomt dat erover gesproken wordt.
            • Gebruikt schaamte of eer als controlemiddel.
            • Rechtvaardigt de ingreep als traditie.
            • Toont weinig empathie of nazorg.
            • Blijft druk uitoefenen op gedrag en conformiteit.

            Belangrijk bij signalering

            • Let op combinaties van signalen, niet op één signaal.
            • Extra alertheid bij meisjes uit risicolanden.
            • Verhoogd risico bij aanstaande vakantieperiode.
            • Gedragsverandering na vakantie is een belangrijk signaal.
            • Neem signalen altijd serieus en bespreek ze zorgvuldig.

            10. Huwelijksdwang

            1. Lichamelijke mishandeling

            Betrokkene:

            • Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
            • Angst voor specifieke familieleden.
            • Schrikachtig of gespannen gedrag.
            • Vermijdt contact of gesprekken over relatie.
            • Letsel na conflicten over huwelijk of partnerkeuze.

            Familie/systeem:

            • Gebruikt fysiek geweld bij verzet tegen huwelijk.
            • Dreigt met geweld bij ongewenste keuzes.
            • Reageert agressief op autonomie van betrokkene.
            • Handhaaft strikte controle met dwang.
            • Bagatelliseert of ontkent geweld.

            2. Lichamelijke verwaarlozing

            Betrokkene:

            • Onvoldoende rust, voeding of zelfzorg door stress.
            • Vermoeidheid en lichamelijke klachten.
            • Geen toegang tot medische zorg zonder toestemming.
            • Verwaarlozing van eigen gezondheid.
            • Beperkte bewegingsvrijheid.

            Familie/systeem:

            • Beperkt toegang tot zorg of ondersteuning.
            • Controleert dagelijkse activiteiten.
            • Laat welzijn ondergeschikt zijn aan familiebelangen.
            • Negeert gezondheidsklachten.
            • Stelt eisen zonder rekening te houden met belastbaarheid.

            3. Psychische mishandeling

            Betrokkene:

            • Angst, spanning of paniek bij onderwerp huwelijk.
            • Voelt zich onder druk gezet of gedwongen.
            • Somberheid of wanhoop.
            • Trekt zich terug of wordt stil.
            • Voelt schuld of schaamte richting familie.

            Familie/systeem:

            • Oefent druk uit om te trouwen.
            • Gebruikt schuld, schaamte of eer als middel.
            • Dreigt met verstoting of uitsluiting.
            • Manipuleert emoties of loyaliteit.
            • Controleert keuzes en gedrag.

            4. Psychische verwaarlozing

            Betrokkene:

            • Krijgt geen steun voor eigen wensen of keuzes.
            • Voelt zich niet gehoord of serieus genomen.
            • Ervaart emotionele eenzaamheid.
            • Verliest vertrouwen in zichzelf.
            • Voelt zich afhankelijk van familie.

            Familie/systeem:

            • Negeert gevoelens en wensen van betrokkene.
            • Biedt geen ruimte voor autonomie.
            • Toont weinig begrip of empathie.
            • Stelt familiebelang boven individueel welzijn.
            • Laat betrokkene geen eigen keuzes maken.

            5. Financieel misbruik

            Betrokkene:

            • Is financieel afhankelijk van familie.
            • Heeft geen toegang tot eigen geld.
            • Kan niet zelfstandig keuzes maken over financiën.
            • Wordt financieel onder druk gezet om te trouwen.
            • Verliest controle over eigen middelen.

            Familie/systeem:

            • Gebruikt geld als drukmiddel.
            • Beperkt toegang tot financiële middelen.
            • Maakt financiële beslissingen zonder inspraak.
            • Zet financiële afhankelijkheid in voor controle.
            • Stelt voorwaarden aan financiële ondersteuning.

            6. Digitaal geweld

            Betrokkene:

            • Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
            • Ontvangt controlerende of dreigende berichten.
            • Durft niet vrij te communiceren online.
            • Is bang voor monitoring van contacten.
            • Vermijdt gebruik van telefoon of sociale media.

            Familie/systeem:

            • Controleert telefoon, berichten of locatie.
            • Gebruikt digitale middelen om toezicht te houden.
            • Beperkt online communicatie.
            • Houdt contacten en relaties in de gaten.
            • Gebruikt digitale controle als drukmiddel.

            7. Schending van rechten

            Betrokkene:

            • Kan niet vrij kiezen voor partner of huwelijk.
            • Wordt beperkt in onderwijs of werk.
            • Heeft geen bewegingsvrijheid.
            • Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
            • Loopt risico op achterlating of opsluiting.

            Familie/systeem:

            • Beslist over huwelijk zonder toestemming.
            • Beperkt vrijheid en autonomie.
            • Controleert leven en keuzes van betrokkene.
            • Gebruikt eer of reputatie als rechtvaardiging.
            • Schendt structureel rechten van betrokkene.

            11. Achterlating

            1. Lichamelijke mishandeling

            Betrokkene:

            • Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
            • Angst voor specifieke familieleden.
            • Schrikachtig bij contact met familie.
            • Signalen van mishandeling tijdens verblijf.
            • Fysieke klachten zonder duidelijke verklaring.

            Familie/systeem:

            • Gebruikt geweld om vertrek of verblijf af te dwingen.
            • Reageert agressief bij verzet tegen reis of verblijf.
            • Dreigt met geweld bij ongewenst gedrag.
            • Bagatelliseert signalen van mishandeling.
            • Handhaaft controle met dwang.

            2. Lichamelijke verwaarlozing

            Betrokkene:

            • Onvoldoende toegang tot voeding, zorg of hygiëne.
            • Gezondheidsproblemen zonder behandeling.
            • Vermoeidheid en lichamelijke achteruitgang.
            • Geen toegang tot medische hulp.
            • Onveilige leefomstandigheden in het buitenland.

            Familie/systeem:

            • Laat betrokkene zonder adequate zorg achter.
            • Beperkt toegang tot medische hulp.
            • Negeert gezondheidsklachten.
            • Regelt geen passende opvang of begeleiding.
            • Stelt familiebelang boven welzijn.

            3. Psychische mishandeling

            Betrokkene:

            • Angst, paniek of stress rond reizen of verblijf.
            • Voelt zich gedwongen om mee te gaan.
            • Somberheid of wanhoop.
            • Trekt zich terug of wordt stil.
            • Voelt zich machteloos of gevangen.

            Familie/systeem:

            • Oefent druk uit om te vertrekken of te blijven.
            • Dreigt met achterlating.
            • Gebruikt schuld, schaamte of eer als middel.
            • Manipuleert emoties of loyaliteit.
            • Controleert gedrag en keuzes.

            4. Psychische verwaarlozing

            Betrokkene:

            • Krijgt geen steun of bescherming.
            • Voelt zich alleen en in de steek gelaten.
            • Wordt niet gehoord in zorgen of wensen.
            • Ervaart verlies van veiligheid en vertrouwen.
            • Heeft geen toegang tot hulp of netwerk.

            Familie/systeem:

            • Negeert signalen van angst of onveiligheid.
            • Biedt geen ondersteuning of contact.
            • Laat betrokkene bewust achter zonder zorg.
            • Toont geen betrokkenheid bij welzijn.
            • Stelt eigen belangen boven veiligheid.

              5. Financieel misbruik

              Betrokkene:

              • Heeft geen toegang tot geld of documenten.
              • Is volledig afhankelijk van familie.
              • Kan niet zelfstandig reizen of terugkeren.
              • Verliest controle over eigen middelen.
              • Wordt financieel onder druk gezet.

              Familie/systeem:

              • Houdt paspoort of geld achter.
              • Beperkt toegang tot financiële middelen.
              • Maakt betrokkene afhankelijk.
              • Gebruikt geld als controlemiddel.
              • Regelt financiën zonder inspraak.

              6. Digitaal geweld

              Betrokkene:

              • Beperkte of geen toegang tot telefoon of internet.
              • Wordt gecontroleerd in communicatie.
              • Kan geen contact leggen met hulpverleners.
              • Is bang om berichten te sturen.
              • Wordt digitaal geïsoleerd.

              Familie/systeem:

              • Beperkt toegang tot digitale middelen.
              • Controleert communicatie en contacten.
              • Houdt toezicht via telefoon of sociale media.
              • Voorkomt contact met hulpinstanties.
              • Gebruikt digitale middelen voor controle.

              7. Schending van rechten

              Betrokkene:

              • Wordt tegen wil achtergelaten in het buitenland.
              • Kan niet terugkeren naar Nederland.
              • Heeft geen toegang tot onderwijs of werk.
              • Wordt beperkt in vrijheid en bewegingsruimte.
              • Heeft geen toegang tot hulp of bescherming.

              Familie/systeem:

              • Beslist over verblijf zonder toestemming.
              • Beperkt vrijheid en autonomie.
              • Houdt documenten of middelen achter.
              • Gebruikt achterlating als dwangmiddel.
              • Schendt structureel rechten van betrokkene.

              12. Eergerelateerd geweld

              1. Lichamelijke mishandeling

              Betrokkene:

              • Onverklaarbare blauwe plekken of letsel.
              • Angst voor specifieke familieleden.
              • Schrikachtig of gespannen gedrag.
              • Letsel na conflicten over gedrag of relaties.
              • Vermijdt contact of oogcontact met familie.

              Familie/systeem:

              • Gebruikt geweld om gedrag te corrigeren.
              • Dreigt met fysiek geweld bij ‘overtreding’ van normen.
              • Reageert agressief op autonomie van betrokkene.
              • Handhaaft controle met dwang of straf.
              • Bagatelliseert of ontkent geweld.

              2. Lichamelijke verwaarlozing

              Betrokkene:

              • Onvoldoende zorg door controle of opsluiting.
              • Vermoeidheid en lichamelijke klachten door stress.
              • Beperkte toegang tot medische zorg.
              • Onvoldoende bewegingsvrijheid.
              • Verwaarlozing van eigen gezondheid.

              Familie/systeem:

              • Beperkt toegang tot zorg of ondersteuning.
              • Controleert dagelijkse activiteiten en beweging.
              • Negeert gezondheidsklachten.
              • Stelt familie-eer boven welzijn.
              • Beperkt basisvoorzieningen als drukmiddel.

              3. Psychische mishandeling

              Betrokkene:

              • Angst, spanning of constante alertheid.
              • Voelt zich gecontroleerd of bedreigd.
              • Somberheid of wanhoop.
              • Trekt zich terug of wordt stil.
              • Voelt schaamte of schuld richting familie.

              Familie/systeem:

              • Oefent druk uit om gedrag aan te passen.
              • Gebruikt eer, schaamte of reputatie als middel.
              • Dreigt met verstoting of geweld.
              • Manipuleert emoties en loyaliteit.
              • Controleert keuzes en sociale contacten.

              4. Psychische verwaarlozing

              Betrokkene:

              • Krijgt geen steun voor eigen keuzes of identiteit.
              • Voelt zich niet gehoord of geaccepteerd.
              • Ervaart emotionele eenzaamheid.
              • Verliest vertrouwen in zichzelf.
              • Voelt zich afhankelijk van familie.

              Familie/systeem:

              • Negeert gevoelens en wensen van betrokkene.
              • Biedt geen ruimte voor autonomie.
              • Toont weinig begrip of empathie.
              • Stelt familie-eer boven individueel welzijn.
              • Sluit betrokkene uit bij afwijkend gedrag.

              5. Seksueel misbruik

              Betrokkene:

              • Angst voor relaties of seksualiteit.
              • Geen vrije keuze in partner of intimiteit.
              • Schaamte of geheimhouding.
              • Spanning bij contact met (toekomstige) partner.
              • Ervaart druk rondom seksualiteit of huwelijk.

              Familie/systeem:

              • Dwingt tot seksuele gehoorzaamheid binnen relatie of huwelijk.
              • Negeert grenzen en toestemming.
              • Controleert seksualiteit van betrokkene.
              • Bagatelliseert signalen van misbruik.
              • Gebruikt eer als rechtvaardiging voor controle.

              6. Financieel misbruik

              Betrokkene:

              • Is financieel afhankelijk van familie.
              • Heeft geen toegang tot eigen geld.
              • Kan geen zelfstandige keuzes maken.
              • Wordt financieel onder druk gezet.
              • Verliest controle over eigen middelen.

              Familie/systeem:

              • Gebruikt geld als drukmiddel.
              • Beperkt toegang tot financiële middelen.
              • Maakt financiële beslissingen zonder inspraak.
              • Houdt betrokkene afhankelijk.
              • Stelt voorwaarden aan ondersteuning.

              7. Digitaal geweld

              Betrokkene:

              • Wordt digitaal gecontroleerd of gevolgd.
              • Ontvangt dreigende of controlerende berichten.
              • Durft niet vrij te communiceren.
              • Is bang voor monitoring van contacten.
              • Vermijdt gebruik van telefoon of sociale media.

              Familie/systeem:

              • Controleert telefoon, berichten of locatie.
              • Gebruikt digitale middelen om toezicht te houden.
              • Beperkt online communicatie.
              • Houdt sociale contacten in de gaten.
              • Gebruikt digitale controle als drukmiddel.

              8. Schending van rechten

              Betrokkene:

              • Kan niet vrij keuzes maken over leven of relaties.
              • Wordt beperkt in onderwijs, werk of sociale contacten.
              • Heeft geen bewegingsvrijheid.
              • Voelt zich niet vrij om hulp te zoeken.
              • Leeft onder constante controle en dreiging.

              Familie/systeem:

              • Beslist over leven en keuzes zonder toestemming.
              • Beperkt vrijheid en autonomie.
              • Controleert gedrag en sociale omgeving.
              • Gebruikt eer als rechtvaardiging voor dwang.
              • Schendt structureel rechten van betrokkene.